De Preekstoel — 15 augustus 2017

Wat betekent het voor mij als ik zeg: Ik ben christelijk gelovig?

Reeds negen jaar nodigt Heilige Huisjes elke zomer verschillende sprekers uit om in De Preekstoel van de Sint-Waldetrudiskerk in Herentals te komen antwoorden op de vraag “Wat betekent het voor mij als ik zeg: Ik ben christelijk gelovig?”

Op dinsdag 15 augustus 2017 kreeg ik de eer om mijn getuigenis uit te dragen. Ik deel ze hier graag opnieuw in video en uitgeschreven tekst.

Ondertitelde opname van mijn getuigenis op 15 augustus 2017

Ongeveer een half jaar geleden kreeg ik de uitnodiging om vandaag op deze preekstoel te komen antwoorden op de vraag wat het betekent als ik zeg “Ik ben christelijk gelovig.”. In de eerste plaats was dit een vraag aan mezelf. Ben ik nog christelijk gelovig?

Ja, ik heb een katholieke opvoeding genoten. Ik ben jarenlang actief geweest in de parochie als misdienaar. Ik heb verschillende malen deelgenomen aan de Wereldjongerendagen en leiding geweest. En ik ben ondertussen godsdienstleerkracht.

Maar als trans*persoon botste ik ongeveer 3 jaar geleden plots op een Kerk, op een instituut van mensen, waarin ik zoveel jaren actief geweest was, die over mijn staat van Leven, mijn staat van Zijn, plots best wel pijnlijke dingen zegde.

Hoor ik dan nog bij die Kerk?
Mag ik daar nog bij horen? 
En wat doet dat met mijn eigen persoonlijke geloof? 
Heeft dat daar een invloed op, ja of nee?

Om een antwoord te kunnen geven op de vraag in hoeverre ik vandaag nog christelijk gelovig ben, of dat mag zijn, of durf zijn, ben ik terug gaan kijken in mijn eigen leven dat bijna 35 jaar telt. Om na te gaan hoe ik geworden ben wie ik vandaag ben, wat mijn leven, mijzelf en mijn geloof gevormd heeft. En ik zou willen starten met die terugkijk met jullie te delen.


Als ik mezelf herinner als peuter, in hoeverre dat je dat kan, want dat is best lang geleden en je bent dan nog niet zozeer zelfbewust, durf ik zeggen dat ik als mens spiritueel geboren ben. 
Misschien niet onlogisch als we uitgaan van het feit dat wij allen een ziel hebben. Die ziel die geschapen wordt door God. Het moment dat je net in je lichaam komt, net aan je leven start, dan komt die ziel net ván God. Misschien is het dan ook logisch dat je ergens nog een herinnering hebt en die aanwezigheid van God als van-ZELF-sprekend ervaart, als pasgeboren baby, of als peuter.

Voor mij was God in elk geval in het begin van mijn leven een van-ZELF-sprekende Aanwezigheid. Als mens ben ik iemand die graag alleen is, maar daarin eigenlijk nooit een eenzaamheid ervaart. Net in het alleen-zijn kon ik van jongs-af-aan thuiskomen. 
En hoewel ik als peuter allicht nog geen woordenschat had en geen beeldtaal om die aanwezigheid tot uitdrukking te brengen, is dat voor mij toch altijd van-ZELF-sprekend geweest.


Later, op het moment dat je kleuter wordt en naar de lagere school begint te gaan, kreeg ik van thuis uit een religieuze christelijk geïnspireerde opvoeding. Mijn spiritualiteit kleurde religieus. Voor mij op zich een rijkdom. Het zijn mijn wortels van waaruit mijn eigen levensboom toen is beginnen groeien.

Als ik terugkijk naar de geloofsopvatting die ik toen zelf vorm gaf en interpreteerde, durf ik zeggen dat die voor een stuk doorweven was met angst. De wereld, de grote onbekende, de mensen daarop, de jeugd van tegenwoordig, zoveel zaken waren vaak een bedreiging of voelden alleszins zo, of gingen voor een stuk toch in de foute richting.

Als mens was je een ziel, beladen met de erfzonde, en bijgevolg zondig vanaf de geboorte. Maar gelukkig was er 2000 jaar geleden die mens Jezus die met zijn levensoffer dat allemaal al had rechtgezet en ons de toegang tot de hemel had teruggegeven.

Bidden werd vanuit die onderhuidse angst vaak een smeekbede. Oplossingen dienden te komen van buitenaf. Er was een zekere afhankelijkheid van één of andere transcendente God die ver weg in de hemel wel aanwezig was, maar die dan ook de enige was die ons oplossingen kon geven.

Hoewel dit misschien niet echt positief klinkt, ben ik wel heel dankbaar voor de rijkdom die deze opvoeding mij gegeven heeft. Het is een rijkdom aan verhalen en beelden, aan rituelen en tradities, die een diepte en een zekere symboliek gaven aan het leven. Ze blijven mij nog dagdagelijks inspireren en het geeft mij een levensbeschouwelijk kader waarvan ik merk dat heel veel mensen dat vandaag niet meer hebben. 
Mijn eigen leerlingen en zelfs mijn collega’s hebben dat kader vaak niet meer, hebben dat nooit meegehad en leven van daaruit, vanuit mijn perspectief, vaak aan de oppervlakte. Ze weten niet beter, terwijl mijn levensbeschouwelijk kader vanuit mijn opvoeding net heel veel diepte en symboliek geeft aan dat leven.


Naarmate ik ouder werd en richting puberteit ging, de tijd dat je eigenlijk zelfbewust wordt en bewust wordt van de omgeving waarin je leeft, begon bij mijzelf binnenin een diepere worsteling. Mijn genderidentiteit bleek niet geheel overeen te komen met het lichaam waarin ik geboren ben, en dat was best moeilijk. Vanuit mijn eigen interpretatie op dat moment was die worsteling een zonde. Het is niet ok om als jongen verlangens te hebben naar zaken die eerder te maken hebben met vrouwen. 
Ik wilde natuurlijk mijn hemel niet verliezen, ik wilde niet in zonde leven, dus ik ging met alle macht en energie die ik had, half bewust of onbewust, dat stukje van mijzelf negeren en in die zin aan een stuk zelfverloochening doen.

Als overcompensatie, als een zoektocht naar redding, ging ik heel bewust op zoek naar “Wat is het nu, of wat betekent het om een goede Christen te zijn?” Want ik wilde mijn hemel wel verdienen. 
Het antwoord dat ik daarop toen gaf was het instituut volgen. Volgen wat zij verkondigen, wat zij verwachten van hun christenen. Geloven volgens de letter, geloven op een zeer rationele manier, waarbij het gevoel volledig werd uitgeschakeld. Want net in dat voelen bij mijzelf, daar zat zonde, dus dat wilde ik niet.

Als mens werd ik iemand die blind volgde, die vasthield aan één of andere absolute waarheid, verkondigd door het instituut Kerk. Samen met een hele hoop andere leeftijdsgenoten nam ik van daaruit deel aan de vorming van een groepsidentiteit. 
Op zich een leuke ervaring want je hoort ergens bij. Maar als je leeft vanuit een groepsidentiteit en daarbij jezelf opzij schuift, ga je heel vaak de andere als fout bestempelen. “Wij zijn juist bezig, wij weten het, wij volgen de waarheid, en al de anderen, die zijn fout, die moeten geholpen worden, die moeten bekeerd worden.”

Bidden werd dan ook een vraag tot inzicht en bekering van al die anderen. Bidden werd het projecteren van je eigen waarheid op God, waarbij God geen plaats meer kreeg of ruimte om te spreken. Ik was zelf altijd aan het woord.

En het ging op een bepaald moment zo ver dat ik een goede vriend van mij, die zich outte als homoseksueel, vol “liefde” als ziek verklaarde. Maar de oplossing was nabij, ik zou voor hem bidden, en het was door dat gebed dat hij van zijn geaardheid zou genezen. Homoseksueel zijn is ok, dat had men vanuit de Kerk verteld, maar het beleven niet. Ik mag van geluk spreken dat die vriend vandaag nog altijd mijn vriend is.
Op zich herken ik daarin vandaag, als ik erop terugkijk, ergens een onbewuste hoop op genezing van mijzelf. Diep binnenin zat ik natuurlijk al heel lang te worstelen met iets dat ik ook niet wilde, dat ook niet begrepen werd, dat ook geen plaats had in die Kerk.

Niettemin ben ik dankbaar, ook voor die periode. Voornamelijk omwille van de ervaring van zo’n groepsidentiteit. Als we vandaag naar onze maatschappij kijken, dan zien we heel vaak dat bepaalde mensen door onze maatschappij gevraagd worden te integreren of misschien zelfs te assimileren, ofwel een deel van hun identiteit op te geven. Het is vrij logisch, denk ik dan, dat dergelijke mensen bij elkaar op zoek gaan naar behoud van die identiteit. Maar net daardoor krijg je natuurlijk radicalisering.
Het is door die ervaring uit mijn eigen puberteit dat ik durf zeggen dat ik mij in die zin daarin kan inleven.

Hoe dan ook bleef deze geloofsopvatting niet werken voor mij. Ergens botste dat. Hoe kan je als instituut dat een God van onvoorwaardelijke Liefde predikt, tegelijkertijd voorwaarden stellen aan de uitdrukking en de beleving van die Liefde. Waarom krijgen sommige mensen geen toegang tot bepaalde sacramenten die met die Liefde te maken hebben, alleen maar omdat ze niet thuis horen in een bepaald biologisch hokje. Hoe durf je als instituut vragen dat sommige mensen hun Liefde niet beleven, opnieuw omdat ze niet in een bepaald biologisch hokje thuishoren.


Hoe meer ik opgroeide, hoe ouder ik werd, hoe meer ik op zoek ging naar Liefde, naar God, en ultiem naar mijzelf. Als ik kijk naar mijzelf van kinds-af-aan ben ik die zoektocht steeds meer buiten mijzelf gaan leggen, maar daardoor vervreemde ik ook steeds meer van mij-Zelf. 
Doorheen al deze omzwervingen en de uiteindelijke ervaring van mijn eigen gevoel ben ik uiteindelijk of in principe terug uitgekomen bij het begin, of in den beginne, bij mij-Zelf.

Ik ben dankbaar voor al die zoektochten, en voor alle religieuze handleidingen die mij aangereikt geweest zijn. Het heeft mij een rijkdom aan inspiratie, levens- en inlevingservaring gegeven. Maar christelijk geloven voor mij is vandaag ruimer dan alleen maar datgene dat past binnen de rituelen en de tradities van de Kerk zelf. 
Het gaat verder, het gaat dieper, en mijn levensboom die christelijk geworteld is en ook altijd zal blijven, heeft ondertussen een bredere stam en een kruin die spant over meerdere levensbeschouwingen.


Als we kijken naar de christelijke godsdienst, dan spreekt die van een transcendente God en een immanente God. Transcendent, God is in de hemel, is elders, is ver weg. En God is immanent, hij is aanwezig binnenin ons-Zelf. Voor mij resoneert die transcendente God niet meer. Voor mij is God altijd vlakbij, zoals ik het als peuter al mocht ervaren.

God is voor mijzelf onvoorwaardelijke, oneindige Liefde, Licht, Vuur, Kracht, Energie, … eender welk woord dat je wenst te gebruiken maar nooit voldoende zal zijn. God is het begin, het einde, alfa, omega, eeuwigheid waar begin en einde natuurlijk net niet bestaan.
God is voor mij Alles, het Al, het heel-Al. God is voor mij aanwezig in alles en iedereen, niet alleen wij als mens, niet alleen de dieren, maar ook de bomen, alles rondom ons.

De mens is voor mij in die zin, in de eerste plaats een Ziel, aanwezig in een tijdelijk fysiek lichaam. Mijn eerste opvatting was dat de Ziel een vonk was, geschapen naar het beeld van God, ergens met een begin in de tijd, en van daaruit een eeuwigheid. Maar op dit moment ervaar ik het veel dieper.

Ik ben als Ziel, wij zijn als Zielen, niet zozeer vonken, ergens geschapen in de tijd, maar wij zijn deel van datzelfde Vuur, deel van het Al dat God op ZichZelf is. Voluit Vuur, Zelf Vuur, Licht en Liefde. Vuur dat warmte geeft maar niet verteert, net zoals de braamstruik bij Mozes. 
Mijn Ziel, onze Zielen, zo geloof ik, kennen geen begin en geen einde. Ik ervaar dat ik als Ziel bewust gekozen heb voor de context waarin ik leef en bewust gekozen heb voor de ervaring die het mij in dit leven geeft. Hierbij zijn zowel koud als warm noodzakelijke ervaringen om beide te leren kennen en te appreciëren. Zonder koud water ga je nooit beseffen wat warm water is. Lijden en vreugde horen in die zin ook thuis in elk leven. Het kunnen richtingsaanwijzers zijn om je te helpen groeien in die ervaring die je net gekozen hebt voor dit leven.

Dit lijkt misschien raar, maar voor mij is het een keuze om niet als slachtoffer te leven. Ik als trans*persoon werd ongeveer 3 jaar geleden wakker in mijn eigen lichaam dat plots niet meer leek te kloppen.

Wat doe je daar mee?
Hoe komt dat?
Van waar komt dat?
Is er een oplossing?
Is dat dan een oplossing die ik wel wil? 
Wil ik wel een oplossing?
Wil ik wel verder?
Ben ik een fout van de natuur?

Zoveel vragen waarvoor op dit moment geen antwoorden bestaan. 
Maar door te geloven en er ook in te gaan staan, dat ik net Zelf deze ervaring gekozen heb als Ziel, ben ik geen slachtoffer, en kom ik in mijn anders-zijn net in mijn Kracht te staan, want het is een keuze geweest voor een bepaalde ervaring.

Als Ziel ervaar ik mijZelf, ervaar ik eigenlijk ons Allen, als geïndividualiseerde goddelijke wensen van schepping zelf.

Zonde is voor mij geen reden meer tot schuld, geen streepje op een lijst waarmee afgewogen wordt of je naar de hemel of de hel gaat. Zonde is voor mij zoals de Nederlandse betekenis, het is spijtig. Het verwijdert mij van God zelf en van datgene dat ik net bewust in dit leven wilde komen ervaren.

Bidden is voor mij iets dat ik niet meer doe vanuit mijn hoofd. Dat heb ik een hele tijd geprobeerd, dat werkte niet. Bidden is iets dat ik voel. Veel woorden gebruik ik vaak niet meer, want net in het spreken krijgt God geen ruimte om Zelf te spreken. Bidden is voor mij stilte, is gaan luisteren wat hierbinnen aanwezig is. Bidden is luisteren.

Ik geloof ook niet meer in één of andere absolute waarheid. Waarheid is voor mij iets dat evolueert. Ooit gaf ik aan een leerling die vroeg naar het beeld van God de vergelijking van een oneindig en altijd maar groeiend schilderij. Elke mens doorheen de mensengeschiedenis is uniek. God zoekt met elke mens een persoonlijke verbinding. Bijgevolg is elke godservaring ook uniek. Elke mens doorheen de volledige geschiedenis geeft zijn eigen kleur aan dat schilderij. En dat schilderij blijft in die zin altijd maar groeien. God schept ZichZelf, ervaart ZichZelf, met ons en door ons als mens. Wij zijn MedeSchepper.

Christelijk gelovig zijn wil voor mij zeggen, aanvaarden en geloven dat ik deel ben van dat Vuur, van dat Licht, van die Liefde. Dat wij daar allen deel van uit maken. Dat dat in ons leeft. Dat wij dat dragen. Dat wij zelf ScheppingsKracht hebben, VerrijzenisKracht. Wij zijn niet zozeer beheerder van de schepping, wij zijn MedeSchepper.


En daarbij kom ik bij bovenstaande tekening. Het is een tekening op basis van een schets die ik ooit 10 tot 15 jaar geleden maakte bij een bezinningsmoment in de Goede Week. We moesten een kaars versieren en ik ging op zoek naar een verrijzenisfiguur. De figuur heeft geen gezicht. Op dat moment was de eenvoudige verklaring dat dat nogal moeilijk is om een gezicht te tekenen, zeker op de kleine oppervlakte van een kaars. Maar op zich heeft dat gezichtloos zijn later een andere betekenis gekregen. Dit is niet zozeer Jezus. Dit kan Jezus zijn, hij lijkt er ook wel op, maar voor mij is dit een beeld van ons allemaal.

Verrijzenis is voor mij niet iets dat enkel plaatsvindt bij het laatste oordeel of op het einde van ons leven. Verrijzenis is iets waartoe wij elke dag opgeroepen zijn, of opgeroepen worden. Voluit het Licht omarmen dat in ons schijnt en dit ook durven laten stralen. Vanuit de wetenschap of het geloof dat wij Licht, dat wij Liefde Zijn, dit voluit zonder masker, zonder harnas, zonder enige vorm van verdediging, in volle vertrouwen, met open armen, aan de anderen laten zien. Kwetsbaar, maar voluit Authentiek, dat Licht laten stralen, laten voelen, en het ook voluit Zijn. Niet vanuit één of andere superioriteit, maar als uitnodiging naar iedereen die nog niet herinnert dat wij allen Licht en Liefde zijn.

Elke dag een betere versie neerzetten van ons-Zelf. En om te weten wat dat is, hoef je het alleen maar stil te maken en te gaan luisteren naar je Ziel, naar die plek waar God aanwezig is bij ons-Zelf.

Dank u wel!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *